Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.
Zoals jullie wellicht weten voeren we als KNRB gesprekkken met de FSN, de Federatie Sloeproeien Nederland, om te zien waar en hoe we kunnen samenwerken. Die verkennende gesprekken zijn een direct uitvloeisel van de breedtesportvisie ‘een bond voor alle roeiers’ [waar hebben ze die titel toch vandaan? Red.] die de leden van de roeibond in 2020 hebben omarmd. De reden dat we willen samenwerken is omdat we dan bij de sportkoepels met één gezicht naar voren kunnen treden en dat we efficiënt belangen kunnen behartigen. De afgelopen twee jaar hebben Helène (secretaris KNRB) en ik al veel gesprekken gevoerd met Dick en Nanette, voorzitter en secretaris van de FSN. Opvallend hoeveel zaken we delen: coronamaatregelen, roeiwater, veiligheid, jurering, tijdmeten, ploegvorming, warmweerprotocol, slechtweerprotocol… allemaal gelijk. Zó gelijk! Ook het botenjargon komt goed overeen.We hebben het over riemen en niet over peddels. We hebben bladen, een boeg, een kiel en natuurlijk zijn stuurboord en bakboord ook hetzelfde.
Het moment nadert dat we die verkenning een stapje verder brengen en een keer bij elkaar in de boot kruipen. Daarom me maar eens verdiept in de roeicommando’s van het sloeproeien. Die staan netjes bij de FSN op de website.
Maar hemeltjelief! Wat een abracadabra! Ze praten in de boot heel anders als wij! Andere boten (slaan niet om, liggen altijd al in het water en niet in de loods) en een andere geschiedenis (ik schreef daar eerder over) zorgen voor een heel andere taal: Babylon in de boot!
Daarom deze week: de vertaaltabel sloeproeien – rolbankroeien. Begrip begint met begrijpen niewaar?
Commando’s staan onderstreept. Daar waar commando’s niet te vertalen zijn, domweg omdat deze uitvoering bij de andere groep niet bestaat (de sloeproeiers tillen bijv geen boten, de rolbankroeiers laten altijd de riemen buiten boord), heb ik dat wat vrijelijk ingevuld met ‘commentaar’. De vertaaltabel is er ook als pdf.
Ik, Jan Op den Velde, 89 jaar, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag. Vanaf OProeien toen – 1 is het een doorlopend verhaal. Via deze link vind je ze allemaal.
Na een omweg in de toekomst terug naar het ‘heden van toen’ (1951). Eindelijk mogen we weer het water op. Ook weer in de ’tub’. Natuurlijk niet zoals op dit plaatje.
Dat brengt mij op de oefeningen die Jo bedenkt. Hij heeft in Henley gezien dat de Amerikanen een lange haal kunnen maken door het water naar voren toe te pakken zonder heel ver achterover te vallen bij de finish. En de slidings zijn langer. Het is duidelijk dat het laatste stukje haal bij ver achterovervallen niets bijdraagt aan de snelheid. Verder naar voren toe ‘pakken’ wel.
Het plaatje is zo goed mogelijk opgekalefaterd. Het is een kopie van een kopie, enz. Maar een dermate goed voorbeeld dat ik het niet weg kan laten).
Dat ‘pakken’ is nieuw, het ‘vliegen vangen’ is duidelijk een misvatting. Het totaal anders ‘pakken’ vergt de nodige inspanning (ook van de hersenen). Jo heeft een oefening bedacht die moet aantonen dat het ‘pakken’ en vastzetten van het blad in het water is aan te leren. Met twee roeiers in de tub moet een van de roeiers met het blad boven water stil blijven zitten en de andere halen. Dat betekent niet alleen ‘omtrekken’ maar ook over het andere boord vallen. En dat moet worden voorkomen. Dat kan alleen door het blad bij de inpik vast te zetten en onder aanhoudende druk, met eerst gestrekte armen, de haal te maken. Op die manier kan je de dol op z’n plaats boven water houden. Best lastig. (Natuurlijk moet de coach/stuur steeds bijsturen).
Jo heeft meer van die trucjes en aanpassingen zoals bredere (1½ cm) en iets kortere bladen. Het effect blijft niet uit. Misschien ook psychologisch maar uit de tijden blijkt dat we sneller kunnen gaan dan voorheen. Toen een ongekende aanpak van de techniek.
Dat de benen van de mens door de eeuwen heen, en zeker sinds een eeuw geleden, langer zijn geworden, is nog niet helemaal in de wereld van het roeien doorgedrongen. Bij de Amerikanen wel. De Amerikaanse slidings zijn dan ook langer. Die van ons nu ook. Een beetje. Onze Engelse tegenstander in Henley, Cambridge, vaart nog op de ouderwetse korte slidings. Het zal duidelijk zijn dat de heupen goed opvouwbaar moeten zijn.
Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.
In mijn stukje vorige week schreef ik over de klubkadercoach en dat het binnenhalen van zo ’n professional bij een vereniging goed zou kunnen zijn om trainers meer bagage te geven. ‘Plezier en professionaliteit als hét fundament voor prestatie’, schreef ik: ‘hoe leuk is dat.’ Dat was een gevoelig puntje blijkbaar want een aantal verenigingen en trainers voelden zich aangesproken en reageerden gepikeerd: Niet professioneel? Wij? Echt wel? Geen plezier? Wij? Zeker! Je zou er bang van worden.
Mijn betoog was vooral erop gericht te wijzen op het belang van, zoals dat zo mooi heet, het pedagogisch klimaat op verenigingen. Trainers ervaren meer plezier in hun trainerschap als ze zelfverzekerder zijn, beter de boodschap over kunnen brengen of meer contact hebben met de groep. Het effect: sporters hebben meer plezier, blijven langer sporten, trainers blijven langer actief trainer. Dat levert niet alleen gezonde sporters, de hele vereniging wordt zo een tikkie meer gezond. Dat vraagt om trainers die iets meer weten dan álles van roeien en iets meer kunnen dan het geven van technisch advies.
Ja maar, zal de doorgewinterde zuurpruim dan zeggen, ‘So what? Waarom zouden we? Het gaat toch goed met de roeisport? We halen medailles. We groeien nog steeds. We hebben wachtlijsten (oh ja wachtlijsten, de gelukzalige slaappil van menige vereniging). Blijkbaar doen we dan toch iets goed. Never change a winning team.’
Zeker doen we iets goed. We staan als roeisport – nog net – in de top tien van snelstgroeiende sporten en doen het stukken beter dan bijvoorbeeld tennis of schaatsen. Maar laten we ons niet rijk rekenen: we blijven flink achter bij de echte stijgers als bijvoorbeeld fietsen of triatlon. En ‘t gaat zeker niet goed in de breedte: Het aantal roei-junioren blijft tot op de dag van vandaag afnemen. Dat maakt ons kwetsbaar.
En wat meer uitgezoomd: Het aantal sporters blijft bij de gezamenlijke sportverenigingen grosso modo gelijk, maar het aandeel verenigingssporters neemt af. Het aantal sporters groeit en dat kan nagenoeg volledig toegeschreven worden aan sportscholen en al die mensen die ‘s avonds een blokje om lopen, rennen of fietsen. Vergis je niet: de hoeveelheid geld die hierin omgaat is inmiddels al bijna 2x zo groot als was verenigingssporters besteden. En hoewel de sportscholen het nu even moeilijk hebben is er geen aanleiding om te denken dat dat tij keert.
De Nederlandse sportraad wil dat in 2030 het aantal sporters in Nederland is gegroeid van 50 naar 75%, oftewel 4 miljoen sporters erbij in 10 jaar tijd. Ze vragen daarvoor om 1 miljard euro om te investeren in accommodaties én in trainers.. PER JAAR. Er wordt zwaar ingezet: een Sportwet die overheden verplicht om te investeren in sport. De reden is even simpel als zwaarwegend: bestrijden van beweegarmoede en investeren in preventieve gezondheidszorg. De lobby is stevig. Die drukken wel door. Nog meer sporters dus.
Vier miljoen sporters… het is nogal een opgave. Gaan we die nieuwe sporters allemaal naar de sportscholen sturen, vragen we ze om een eigen blokje om te lopen, te rennen of te fietsen? Of maken we ons klaar als sportverenigingen om een deel van deze nieuwe sporters welkom te heten. Er wordt ook naar ons sportverenigingen gekeken om meer sporters van buiten binnen te halen.
De sportraad roept ons op te innoveren. Andere vormen van binding te verkennen. De sporter meer centraal stellen en minder de sport.
Verenigingen krijgen de vraag of ze accommodatie openstellen voor niet-leden. Zaken om over na te denken als bond en als vereniging. Doen we mee of niet? En als we meedoen: wat betekent dat dan, waarin moeten we investeren? En hoe doen we dat?
Best veel dingen om over na te denken. Daarbij vallen een beetje aandacht voor plezier en professionaliteit van trainers in het niet. Daar maar snel mee beginnen dan? Dan is dat klaar.
Kees Verweel (1963), actief sloeproeier sinds 1980. Woont met Silke aan de Oosterschelde in Kattendijke (Zeeland). Drie volwassen kinderen. Initiator en beheerder van www.sloeproeien.nl. Bij diverse verenigingen geroeid, eind 2019 medeoprichter van de nieuwe club Sloeproeien Zeeland waar we in de zesriemer Seelandia roeien. Lees alle bijdragen van Kees Verweel hier.
Afgelopen week stond weer in het teken van ons Atlantische avontuur. Slechts vijf weken geleden ontkurkten Paul en ik de champagne om te proosten op ons besluit, het startsein voor onze ‘Campaign’. En wat is er al veel werk verzet in die paar weken! Een niet onbelangrijk onderdeel van onze Challenge is een roeiboot 😉. We zijn dus druk bezig met het verkennen van de diverse opties: een nieuwe boot laten bouwen? een gebruikte boot kopen? een boot huren? wel of geen raceklasse boot? Met alle bijbehorende voor- en nadelen met betrekking tot budget, beschikbaarheid, wensen en eisen. Veel zaken om af te wegen. Populair bij de meeste deelnemers aan de Talisker Whisky Atlantic Challenge zijn de Rannoch boten type R45, R25 of R10, allemaal ingedeeld in de raceklasse. Alle andere ontwerpen worden ingedeeld in de open klasse. Voor ons maakt het niet uit in welke klasse we gaan roeien. Als zestigplussers (in 2023) hebben we niet de illusie om snelheidsrecords te gaan verbreken, dus beide klassen zijn prima voor ons. Voordeel is ook dat er dan een ruimere keuze uit het oceaanroeibootaanbod is voor ons. In het kader van ons onderzoek bezochten Paul en ik vorige week roeisloepen.nl op uitnodiging van Ron Straver.
In alle vroegte vertrokken we zondagochtend van huis, om vanaf carpoolplaats Leusden in één auto verder te reizen. Om 9:30 uur stonden we in het (voor ons) verre Deventer! Met een brede glimlach op zijn gezicht opende Ron de deur. Ron en ik kennen elkaar al vele jaren vanuit de sloeproeiwereld, en we kwamen elkaar vaak tegen bij wedstrijden en de FSN-vergaderingen. In al die jaren had ik nog nooit de werkplaats van Ron bezocht. Ron heeft van zijn roeihobby zijn beroep gemaakt, en bouwt al jarenlang onder andere Kuikensloepen, Delphines en Pilot Gigs. Onlangs heeft hij ook een (houten) St Ayles Skiff gebouwd. Vol passie vertelt Ron ons over een bijzonder project; de bouw van een nieuw model eenpersoons coastalboot met voorin de boeg een minuscuul slaapvertrek. Zodat je een meerdaagse tocht kunt maken zonder gedoe met tentjes op de wal. Ik ben onder de indruk! En wat gaaf om elkaar een aantal uren te spreken, de werkplaats te zien en samen te sparren over de eventuele bouw van een nieuwe oceaanroeiboot! Ron heeft een groot relevant netwerk en veel eigen kennis, mede opgebouwd bij de begeleiding van de uit Deventer afkomstige Dutchess of the Sea. Alle kennis kan gebundeld worden, om het beste van alle werelden samen te brengen in een nieuw te bouwen oceaanroeiboot made in Holland! Absoluut een interessant idee, en voor Ron als botenbouwer uiteraard een prachtig project. Na een heerlijke lunch kregen we ieder nog een doos vol Deventer bijtjes mee, en nadat Ron nog wat foto’s van ons in onze Atlantic Sixties kleding had gemaakt vertrokken we vol indrukken en nieuwe ideeën weer richting huis. Uiteraard gaan we alle opties goed naast elkaar zetten, maar een nieuwe boot is wel erg gaaf! We houden jullie op de hoogte…
Feike Tibben is bestuurslid van de Koninklijke Nederlandse Roeibond, met als portefeuille sportontwikkeling. Lees alle bijdragen – op persoonlijke titel – van Feike hier.
Afgelopen twee weken ging mijn aandacht op aan kwesties over veiligheid. Was effe nodig. Niet dat ‘t nu daarmee klaar is, maar de verenigingen en de commissie veiligheid van de Roeibond pakken het weer op. Wordt vervolgd.
De wat? De clubkadercoach. Het fijne van een brede bestuursportefeuille is dat je wordt doodgegooid met allerlei studies, rapportages, documenten. Zo kreeg ik van de Vereniging Sport en Gemeenten de ‘Rapportage over de eerste tranche proeftuinen clubkadercoach’ toegezonden. Nou niet echt een titel waarvan je gaat watertanden, maar toch: interessant leesvoer. Eerlijk gezegd had ik het hele instrument gemist, en ik was niet de enige roeier. In de hele rapportage geen woord over watersport.
Maar goed. Interessant dus, want waar gaat het om: de clubkadercoach is een professional die het kader, dus bestuur, trainers, coaches van een sportvereniging te hulp kan schieten. En dat past wel in een bredere ontwikkeling van professionalisering. Want of je je nu verdiept in het NOC-NSF of de adviezen van de Nederlandse Sportraad leest, overal komt professionalisering om de hoek kijken als het gaat om opleidingen, kwalificaties en om governance en integriteit. En die professionalisering gaat verder dan alleen de sport zelf. Voor de sport hebben we een hele batterij opleidingen. Het is ook iets breder dan de bekende (toch?) coach-de-coach-aanpak. De Clubkadercoach biedt trainers een aanvulling op het niet-sportspecifieke. Niet op het WAT van de sport zelf, maar op HOE breng je het over. Als ik bij mezelf naga: tja die sport, dat vond ik al moeilijk zat en als ik daarin vastloop dan pakken we een of andere manual er nog maar weer eens bij. Maar het HOE?
‘Ja hoor eens: ik ben geen juf of meester, ook geen opvoeder. Ze komen hier om te sporten. Ik doe het één keer voor en dan moeten ze het snappen.Zo werkt ‘t!’
Zou het? Zou het zo werken? Een studie van het Mulierinstituut laat zien dat een goed pedagogisch klimaat belangrijk is, ook en misschien wel vooral op de club. En zij staan zeker niet alleen in het onderkennen van het belang van een goed sportklimaat. Nicolette Schipper, lector aan Windesheim, liet ons in november 2020 op een KNRB-webinar (de link is van de gymnastiekbond, maar de onze was vergelijkbaar) ook al zien hoezeer plezier en prestatie met elkaar samenhangen.
Professionaliteit & plezier als hét fundament voor de prestatie, hoe leuk is dat. En wat vergeten we dat gemakkelijk. De resultaten van de proeftuinen Clubkadercoaching laten zien dat plezier vóór prestatie ook geldt voor trainers: Trainers ervaren meer plezier in hun trainerschap als ze zich zelfverzekerder voelen, als ze de boodschap beter kunnen overbrengen, als ze meer contact hebben met de groep. Ze zien dan dat sporters meer plezier hebben en langer blijven sporten. En daardoor blijven zij op hun beurt ook langer actief trainer. In de proeftuinen had 30% van de trainers na begeleiding meer plezier dan ervoor. Dat levert niet alleen gezondere sporters, de hele vereniging wordt zo een tikkie meer gezond.
Ik zei dat ik in mijn zoektocht naar ‘hoe werkt dat nu, die clubkadercoaching’ het woord watersport niet was tegengekomen. Grumpy als ik soms ben, beklaagde ik mij daarover bij een van de leden van de juniorencommissie: ‘We worden weer eens over het hoofd gezien, grr’.
Ik werd er fijntjes op gewezen het bij het verkeerde eind te hebben: ‘Maar Feike wist je niet dat we een clubkadercoach in eigen gelederen hebben, die heeft dan wel een hockeyclub begeleid, maar toch. En wat denk je: Wij met z’n tweeën ontwikkelen met die ervaringen nu een juniorcoach I-opleiding’. Lekker dan. Sta ik weer in mijn hemd. Ik krijg de opzet om mijn oren geslingerd: eenvoudig, praktisch, onderbouwd, buddy, certificaten, goud/zilver/brons, junioren zijn eigenaar. Prachtig. Hier ligt goud!
Het leek of ‘t gras bij de proeftuin van de buren groener was, maar ik zag niet dat onze eigen roeituin al langzaam ontkiemt en straks prachtig gaat bloeien. Dat wordt straks dubbel genieten. En ook dat is plezier.
PS: wil jij als vereniging ook hulp van een clubkadercoach (of vergelijkbaar)? Meld je dan bij je gemeente. Onder de vlag van het Sportakkoord kan er veel!
Ik, Jan Op den Velde, 89 jaar, roeide voor Laga in de periode 1950-1954. De omstandigheden uit die jaren schets ik graag. Vanaf OProeien toen – 1 is het een doorlopend verhaal. Via deze link vind je ze allemaal.
De ontspanning tussen de wedstrijden draagt ook bij aan het smullen van roeien.
We zijn op de weg terug uit Henley. Mogelijk een verdwenen fenomeen is het al genoteerde uit-training-gaan. Een soort afschudden van de inspanningen, lijfelijk en mentaal, van de wedstrijd(en). Dus “mogen” we even alcohol innemen. Verpakt in diverse smaken. We arriveren op “ons” schip voor de laatste reis met passagiers die de Batavier-lijn uitvoert. Onze coach, Jo, heeft toestemming gegeven om de training nog even uit te stellen. We zijn de enige en allerlaatste passagiers. Onder de brug blijkt een bar te zijn. Met barkeeper. Die gelegenheid kunnen we niet weerstaan, dus heeft de barkeeper veel klandizie. Het is intussen avond geworden en aan boord gelden de Nederlandse regels met betrekking tot de werktijden. Verrassend! Op zeker moment roept de barkeeper: “laatste bestelling!”. We aarzelen geen moment: “Zet alle flessen maar buiten de afsluiting”. Op die manier kunnen we tenminste ons slaapdrankje veilig stellen.
Bij daglicht komen we in Rotterdam aan. We staan langs de railing te kijken naar het aanleggen. Dat verloopt niet zo soepel. Alsof de sloop al is begonnen. Het schip raakt de dukdalf voor de kademuur met een flinke dreun waardoor de stootrand langs het schip breekt en de stalen strip erop met de snelheid, die het schip nog heeft, voor een deel opkrult. Hetgeen door ons met gejuich wordt begroet. Niet erg dankbaar voor een veilige overtocht.
In Delft aangekomen maken we de afspraak voor de training morgen. Maar tot onze ontsteltenis blijkt dat niet de bedoeling van Jo te zijn! Hij organiseert een feestje – mét dames – bij hem thuis op OD 37. Een verrassende ontwikkeling. Moeten we niet trainen voor de NK? Het maakt ons ongerust. En dat is ook Jo’s bedoeling. Onze toch wat bekakte houding na onze successen en status in de roeiwereld moet worden teruggebracht naar bijna nul. Opnieuw beginnen met leren halen maken en de boot te laten lopen.
Het snelle regelen van dames leidt de groeiende ongerustheid af. Patsy is overgekomen uit Henley! Ze zit achter Jo aan. Maar ook de volgende dag wordt onze “honger” niet gestild. We moeten maar een paar dagen wat aan onze studie doen! Maar het is al vakantietijd!